Anesthesie

Anesthesie betekent letterlijk ‘ ongevoelig voor pijn’. De anesthesist houdt echter niet alleen de pijn in het oog. Gedurende de hele periode rondom de operatie bewaakt de anesthesist alle vitale functies.

“Dokter, ik zal toch nog wakker worden?” is een vraag die patiënten vaak stellen aan de anesthesist. Het besef dat ze tijdens de operatie de controle over het lichaam verliezen en in handen moeten leggen van een arts die men niet goed kent, veroorzaakt bij veel patiënten een grote angst.

Maar wat houdt een anesthesie nu eigenlijk in? Strikt genomen betekent de term anesthesie “ongevoelig zijn voor pijn”. Maar anesthesie is veel meer dan enkel pijncontrole en kunstmatige slaap. Als we woorden moeten kiezen om te beschrijven wat een anesthesist nu werkelijk doet, dan zijn dat zonder twijfel de woorden “bescherming“ en “stabilisatie“ van de levensbelangrijke functies van het lichaam, tijdens maar ook in de eerste 24u na de operatie.

In de praktijk bestaan er verschillende vormen van anesthesie. Er is de algemene narcose waarbij de patiënt volledig “in slaap” wordt gebracht en er zijn de regionale anesthesietechnieken waarbij maar een bepaald deel van het lichaam wordt “verdoofd”.

1. De algemene anesthesie

Bij een algemene anesthesie wordt het bewustzijn tijdelijk uitgeschakeld. Bij het begin van een algemene narcose zal de anesthesist via een infuus (buisje in een ader) medicatie inspuiten. Kinderen worden doorgaans dmv anesthesiegassen via een masker dat voor het gezicht van de patiënt wordt gehouden, in slaap gebracht.

In slaap doen betekent echter niet pijnvrij maken. Daarvoor zijn pijnstillers nodig die de hersenen onverschillig maken voor pijn. Hiervoor worden medicamenten gebruikt die verwant zijn aan morfine. Vaak wordt ook medicatie toegediend om de spieren te verslappen. Door het verslappen van de spieren zal de chirurg de operatie gemakkelijker kunnen uitvoeren.

Al deze medicamenten zullen echter ook tot gevolg hebben dat de patiënt meestal niet meer voldoende kan ademen. Daarom zal de anesthesist zodra de patiënt volledig bewusteloos is, een buisje in de luchtpijp van de patiënt steken (intuberen). Dat buisje wordt verbonden met een beademingstoestel dat ervoor zorgt dat de patiënt tijdens de operatie toch voldoende zuurstof en eventueel ook anesthesiegassen krijgt toegediend.

Tijdens de operatie zal de anesthesist voortdurend de diepte van de narcose, de werking van hart, longen, nieren en hersenen in het oog houden, evalueren en bijsturen daar waar nodig.

Een algemene anesthesie bestaat dus uit een combinatie van drie medicamenten: “slaap”medicatie, krachtige pijnstillers en spierverslappers. Daarbij komen dan nog de specifieke maatregelen en medicamenten om het lichaam en de werking van alle organen stabiel te houden.

Tegen het einde van de operatie zal de anesthesist de medicatie die de patiënt bewusteloos maakt en de medicatie voor spierontspanning geleidelijk aan stoppen, zodat de patiënt langzaam terug wakker wordt. Als de patiënt zelf opnieuw voldoende kan ademen, wordt het beademingsbuisje uit de luchtpijp verwijderd.

2. De regionale anesthesietechnieken

Zie het hoofdstuk over locoregionale anesthesie technieken

3. Anesthesie bij kinderen

Afbeelding 5 Elke anesthesie, of het nu bij volwassenen is of bij kinderen wordt aangepast aan de noden van de patiënt. Als een kind onder narcose moet worden gebracht, mag een van de ouders aanwezig zijn bij het induceren. De enige uitzondering hierop zijn de urgente ingrepen.

Het meenemen van een knuffel kan geruststellend werken.

 

 

  • Locoregionale anesthesie technieken

    Meer en meer operaties kunnen worden uitgevoerd met behulp van locoregionale anesthesie technieken. Technieken waarbij slechts een gedeelte van het lichaam in slaap wordt gedaan, bijvoorbeeld een arm, een gedeelte van de arm, een been, etc…

    Meer informatie